Bedrijfsvoering

Inleiding

Terug naar navigatie - Bedrijfsvoering - Inleiding

Bedrijfsvoering 2027
De herijkte door het DB vastgestelde visie van de OMWB en de daaruit voortvloeiende strategische opgaven (communicatie, sturing en leiderschap, kennismanagement, kwaliteitsmanagement en datagedreven werken) vragen veel capaciteit en tijd van de afdeling bedrijfsvoering. Er resteert in 2027 niet veel ruimte voor andere (beleids-) ontwikkelingen. 

Een tweetal autonome ontwikkelingen spelen echt wel een rol: de aanbesteding van onze kernapplicatie en de (landelijke) ontwikkeling betreffende de financieringsmethodiek.  

Opstarten aanbesteding VTH applicatie
RX Mission is de kernapplicatie voor de primaire taken van de OMWB. Deze applicatie ondersteunt alle VTH zaaktypeprocessen en de archivering van alle documenten gerelateerd aan deze primaire taken. Daarnaast is het omgevingsdossier binnen RX Mission een belangrijke bron voor het in kaart brengen en houden van de inrichtingen en de MBA’s. Binnen de applicatie wordt belangrijke data vastgelegd die noodzakelijk zijn voor de interne bedrijfsvoering en externe regionale en landelijke verantwoording. 

Het contract met Roxit (leverancier van RX Mission) loopt per 1 januari 2029 af en kan niet meer verlengd worden. Dit betekent dat we een nieuwe Europese aanbesteding gaan opstarten. De mogelijke uitkomst betekent dat we mogelijk overgaan naar een nieuwe applicatie en een dergelijke overgang heeft een enorme impact. Vandaar dat we tijdig starten met deze voorbereidingen.      

Financieringssystematiek
Binnen de regio Midden- en West-Brabant hanteren we de MWB-norm. Dit is een robuuste norm voor de financiering van onze taken. In eerdere P&C documenten en momenten spraken we over de herziening van deze norm. Aanleiding voor deze herziening was het feit dat  sinds de intrede van de omgevingswet en het GUK het werk en de werkwijzen lijken te gaan veranderen. En tegelijkertijd is er een landelijk financieringsmodel voor omgevingsdiensten  ontwikkeld: het zogenaamde voorkeursmodel.  

Dit landelijk voorkeursmodel bestaat uit een vijftal elementen: 

  • Het opzetten van een apart begrotingsonderdeel bedrijfsvoering; 
  • Het komen tot locatiegebonden financiering (in het kort gezeg: omgevingsdiensten worden gefinancierd door een vast bedrag per locatie waarin alle VTHKA-kosten zijn verwerkt); 
  • Het opzetten van een programma Collectieve Taken; 
  • Het opzetten van een programma voor plustaken; 
  • Het (duidelijk) definiëren van projecten.   

In dit model kennen de vijf elementen ieder een aparte financiering. Voor het begrotingsonderdeel bedrijfsvoering en de locatie gebonden financiering is het uitgangspunt dat afgerekend wordt op begroting, de overige onderdelen worden afgerekend op realisatie.  

Landelijk nam een werkgroep de opdracht aan om dit voor een aantal omgevingsdiensten verder uit te werken met behulp van een extern bureau. Dit betekent dat deze omgevingsdiensten begeleiding krijgen bij het maken van een start voor de implementatie van de financieringssystematiek.  

Dit project neemt naar verwachting geheel 2026 in beslag. De complexiteit kunnen we niet onderschatten. Er vindt landelijk bij sommige omgevingsdiensten nog steeds discussie plaats over bijvoorbeeld basistaken. Er dient een uniformering van begrippen plaats te vinden. De wijze van financiering per omgevingsdienst is verschillend. Daarnaast verloopt diezelfde financiering via provinciën en gemeenten, waardoor het IPO en de VNG belangrijke stakeholders zijn. Uiteindelijk dienen de afzonderlijke besturen van de omgevingsdiensten akkoord te gaan.        

De OMWB participeert niet in bovenstaand project, maar we volgen de voortgang nauwgezet . We weten namelijk goed waar we staan. Voor een drietal elementen werken we al volgens het voorkeursmodel. Er bestaat al geruime tijd een programma voor Collectieve Taken (P3) en voor plus taken (P2). De afrekening vindt al conform het voorkeursmodel plaats. We registreren, calculeren en rekenen projecten afzonderlijk. Voor een tweetal elementen ligt er nog wel een opgaaf.  

Het oprichten van een afzonderlijk begrotingsonderdeel bedrijfsvoering is inhoudelijk niet complex, maar vraagt bestuurlijke goedkeuring gezien het feit dat de indeling van de begroting wijzigt en dit mogelijk consequenties heeft voor de opbouw van het uurtarief.  

Echter, het meest complexe element is de locatiegebonden financiering. Deze methode gaat uit van een kostprijs per individuele locatie (op basis van meerjarige gemiddelden). Denk hierbij aan de kosten van toezicht, rapportages, vergunningverlening, klachten en handhaving.  

Dit vergt de volgende voorwaarden voor een goed werking:  

  • Een up-to-date locatiebestand met bijbehorende Milieu Belastende Activiteiten; 
  • Een vastgesteld Gemeenschappelijk Uitvoeringskader (GUK) met (meerjarig) normen en kengetallen; 
  • Een systematiek van werken met, sturen op en evalueren van normen en kengetallen (PDCA); 
  • Regionale afspraken over excessen.       

De OMWB heeft een aantal onderdelen op orde, zoals een vastgesteld GUK. We moeten als organisatie wel constateren dat het locatiebestand nog van onvoldoende kwaliteit is om te dienen als basis voor de uitvoerige berekeningen, en dat voor diverse taakgebieden het werken met én sturen op normen en kengetallen nog niet voldoende ingebed is.  

Voor wat betreft het locatiebestand draagt een projectleider zorg voor een stevige kwaliteitsimpuls. Dit traject loopt geheel 2026. Voor de overige onderdelen, inclusief het begrotingsonderdeel bedrijfsvoering, stelden we nog nog geen plan van aanpak op. Dit pakken we in de loop van 2026 op, waarbij de vraag is of alle elementen van het voorkeursmodel van toepassing zijn op onze organisatie. Dit uiteindelijke besluit moet het Algemeen Bestuur nemen en vergt nog (landelijk) onderzoek en kritische beschouwingen.   

Dit betekent concreet dat voor de begroting 2027 de MWB-norm nog steeds geldt als basis voor de financiering.  In 2027 komt duidelijkheid over de richting waarin de organisatie zich qua financieringssystematiek gaat bewegen en worden de (eventuele)  consequenties voor de deelnemers meer inzichtelijk. De systematiek blijft overeind, de onderliggende aantallen (zoals hoeveelheden bedrijven) kunnen wel wijzigen.