Toekomstige ontwikkelingen

Introductie

Terug naar navigatie - Toekomstige ontwikkelingen - Introductie

De wereld om ons heen verandert in hoog tempo. Deze veranderingen hebben directe invloed op de fysieke leefomgeving en daarmee op het werk van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB). Om effectief te blijven inspelen op nieuwe omstandigheden, houdt de OMWB continu rekening met veranderende wet- en regelgeving, beleidsontwikkelingen en maatschappelijke trends. Daarbij kijken we nadrukkelijk naar de Europese, nationale en regionale ontwikkelingen, die de toekomstbestendigheid van onze organisatie kunnen beïnvloeden. Ook het maatschappelijk debat – bijvoorbeeld over duurzaamheid, gezondheid of energie – beïnvloedt steeds vaker de inhoud, prioriteiten en werkwijze van de OMWB.

In deze kaderbrief brengen we de belangrijkste ontwikkelingen in beeld. Sommige zijn nieuw, andere vloeien voort uit eerder ingezette trajecten of lopende werkzaamheden. Door deze samen te beschrijven ontstaat een actueel overzicht van factoren die richting geven aan onze strategie, taakuitvoering en samenwerking met gemeenten.

In het volgende hoofdstuk werken we de onderwerpen verder uit die naar verwachting in 2027 concrete (financiële) impact hebben op de OMWB of haar deelnemers. Daarbij beschrijven we niet alleen de aard van de impact, maar ook zo concreet mogelijk de benodigde middelen en de wijze waarop we deze kunnen financieren uit specifieke begrotingsposten.

Green Deal

Terug naar navigatie - Toekomstige ontwikkelingen - Green Deal

De komende jaren zal Europese milieuwetgeving steeds meer invloed hebben op de nationale en lokale regelgeving. Nieuwe richtlijnen uit de Europese Green Deal – zoals de herziening van de luchtkwaliteitsrichtlijn, de natuurherstelverordening, de bodemmonitoringsrichtlijn en de herzieningen van de richtlijnen stedelijk afvalwater en industriële emissies – zullen leiden tot strengere normen voor lucht, water, bodem en natuur. De overheid zal  deze richtlijnen vertalen naar nationale regels die door gemeenten en omgevingsdiensten moeten worden uitgevoerd. De nadruk verschuift daarbij van beheer naar herstel en van sectorale naar integrale aanpakken. Gemeenten krijgen te maken met nieuwe verplichtingen rond monitoring, participatie, rapportage en naleving, terwijl bestaande opgaven zoals woningbouw, energietransitie en klimaatadaptatie blijven doorlopen. 

Klimaatwet

Terug naar navigatie - Toekomstige ontwikkelingen - Klimaatwet

De Klimaatwet geeft richting aan hoe Nederland stap voor stap klimaatneutraal wordt. Het uiteindelijke doel is dat we in 2050 vrijwel geen broeikasgassen meer uitstoten en volledig overstappen op duurzame energie. Onderweg zien we duidelijke mijlpalen: in 2030 moet de uitstoot bijna gehalveerd zijn ten opzichte van 1990, en de elektriciteitsproductie moet in 2050 helemaal CO2-neutraal zijn. Jaarlijks vindt controle plaats en elke vijf jaar stelt het Rijk een Klimaatplan op, zodat duidelijk blijft welke keuzes en maatregelen nodig zijn om deze doelen te halen. Dit raakt dus de VTH-taken (Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving). Bedrijven, instellingen en gemeenten moeten immers maatregelen nemen om emissies te beperken en energie-efficiëntie te verhogen.  

Nota Ruimte

Terug naar navigatie - Toekomstige ontwikkelingen - Nota Ruimte

Nederland is een dichtbevolkt land. Met ruim 18 miljoen mensen op een relatief klein oppervlak moeten we voortdurend slimme keuzes maken over hoe we onze ruimte inrichten. Wonen, werken, landbouw, natuur, energie, waterveiligheid – alles vraagt om plek. Om te zorgen dat Nederland ook in 2050 en 2100 een gezond, leefbaar en aantrekkelijk land blijft, werkt het Rijk aan een nieuwe Nota Ruimte. Deze nota vervangt de huidige Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en schetst de koers voor de lange termijn. De Nota Ruimte gaat niet alleen over mooie vergezichten of abstract beleid. Het is een document dat de praktijk van alledag raakt. Want de keuzes die het Rijk samen met provincies, gemeenten en waterschappen maakt, hebben direct invloed op hoe wij bouwen, de energietransitie vormgeven, natuur herstellen en landbouw toekomstbestendig maken. Het gaat dus over concrete vraagstukken van nu , straks (2050) en later (2100).

De uitdagingen zijn groot: 

  • er moeten voldoende woningen komen;
  • de overgang naar een klimaatneutrale samenleving moet worden versneld; 
  • de circulaire economie vraagt nieuwe kaders en innovaties; 
  • natuur en waterkwaliteit moeten verbeteren; 
  • landbouw en voedselvoorziening moeten duurzaam en toekomstgericht worden ingericht.

Daarbovenop lopen er grote nationale programma’s voor het energienetwerk, waterveiligheid, defensie en economie. Al deze thema’s hebben een sterke milieudimensie – en daar komen de omgevingsdiensten nadrukkelijk in beeld. Voor omgevingsdiensten betekent dit dat hun werk verandert. Niet alleen bij de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving, maar ook in hun adviserende rol bij ruimtelijke ontwikkelingen. Milieuaspecten – zoals externe veiligheid, geluid, luchtkwaliteit, bodem, energie en klimaat – moeten we vanaf de start integraal meenemen in plannen en projecten. De Nota Ruimte legt hiervoor de richting vast en dat betekent dat omgevingsdiensten zich nu al moeten voorbereiden. Zodra de Nota Ruimte definitief is, voert de OMWB een impactanalyse uit. Daarmee brengen we in kaart hoe groot de invloed van de nota is op onze taken en waar we onze rol moeten versterken. Eén ding staat vast: de Nota Ruimte is niet alleen een Rijksdocument. Het is een koerswijziging die de dagelijkse praktijk van de omgevingsdiensten rechtstreeks raakt. 

Wet op de defensiegereedheid (Wodg), uitzondering defensie

Terug naar navigatie - Toekomstige ontwikkelingen - Wet op de defensiegereedheid (Wodg), uitzondering defensie

De wereldwijde veiligheidssituatie verslechtert en de dreiging richting Nederland neemt toe. Deze toegenomen dreiging raakt niet alleen Defensie, maar ook onze maatschappij als geheel. Hoewel het moeilijk te voorspellen is in welke situaties deze dreiging zich concreet zal manifesteren, moeten wij als regio wel voorbereid zijn op de mogelijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving en onze taken daarin. Binnen de Omgevingswet mag de overheid in uitzonderlijke gevallen afwijken van normale procedures, wanneer dit noodzakelijk is voor de bescherming van de nationale veiligheid. Dit betekent een uitzondering voor Defensie van reguliere regels voor vergunningverlening, inspraak en openbaarheid in bepaalde situaties.

Concreet houdt dit in dat:

  • bij militaire noodzaak geen verplichte participatie- of inspraakprocedures hoeven plaats te vinden;
  • bepaalde milieugegevens niet openbaar worden gemaakt;
  • vergunningprocedures versneld kunnen worden uitgevoerd bij acute veiligheidsbelangen;
  • toezicht en naleving grotendeels binnen de eigen Defensieorganisatie plaatsvindt.   

Defensie-inrichtingen vallen onder een eigen toezichtstructuur. Alleen wanneer Defensie als civiele partij optreedt — bijvoorbeeld bij bouwprojecten, samenwerkingen met gemeenten of gebruik van publieke infrastructuur — komen de bevoegde gezagen in onze regio in beeld. In die gevallen speelt ook onze omgevingsdienst een rol bij de advisering of uitvoering van civiele milieuregelgeving.

Uitzondering toelevering defensie bedrijven (dual use)

Terug naar navigatie - Toekomstige ontwikkelingen - Uitzondering toelevering defensie bedrijven (dual use)

Ook bedrijven die civiele producten maken kunnen onder de uitzonderingsregel vallen. Dit is het geval bij dual use, ofwel goederen, technologieën en stoffen die zowel civiele als militaire toepassingen kennen . Denk aan chemicaliën, hightech apparatuur of kennis gebruikt voor zowel medische toepassingen als de productie van wapens of raketten. De Europese Unie en de Nederlandse overheid richtten hiervoor enerzijds een vergunningstelsel en toezichtstructuur in om te voorkomen dat dergelijke goederen of kennis in handen komen van partijen die de internationale veiligheid kunnen ondermijnen. Anderzijds hoeven deze bedrijven niet altijd aan bepaalde milieuwetgeving te voldoen om vertraging van de productie te voorkomen. De vormgeving hiervan vraagt nog om uitwerking.

Schaarste drinkwater

Terug naar navigatie - Toekomstige ontwikkelingen - Schaarste drinkwater

Het produceren, transporteren en gebruik van drinkwater is in toenemende mate gebonden aan nationale en internationale regels. De Europese Drinkwaterrichtlijn (2020/2184) stelt minimumeisen aan de kwaliteit van drinkwater, versterkt het recht op toegang tot drinkwater en bevat nieuwe normen voor opkomende stoffen. Lidstaten implementeren deze richtlijn in 2026 volledig. De Drinkwaterwet (Nederland) regelt de levering, kwaliteit en beschikbaarheid van drinkwater in Nederland. De wet verplicht tot het waarborgen van veilig, schoon en betrouwbaar drinkwater voor alle gebruikers en legt nadruk op leveringszekerheid, volksgezondheid en duurzaam gebruik van grondstoffen.

Voor bedrijven betekent dit vooral:

  • Strengere kwaliteitsnormen
    Bedrijven die drinkwater gebruiken of leveren aan derden krijgen te maken met aangescherpte eisen voor parameters zoals PFAS, lood, microbiologische verontreinigingen en andere opkomende stoffen. Dit sluit aan bij de doelstellingen uit de Kaderrichtlijn Water, die uiterlijk in 2027 een goede chemische en ecologische toestand van water voorschrijft. Bedrijven moeten hun productieprocessen, monitoring en rapportage hierop afstemmen.
  • Meer verantwoordelijkheid en transparantie
    Voor bedrijven  geldt een uitgebreidere informatieplichten richting overheid en afnemers, onder meer over waterkwaliteit, risico’s en eventuele incidenten. Dit vraagt om verbeterde interne controlesystemen, risicobeoordelingen en periodieke rapportages.
  • Efficiënt gebruik en beperking van verspilling
    Zowel de Drinkwaterwet als de Europese richtlijn bevatten bepalingen over duurzaamheid en efficiënt gebruik van water. Bedrijven moeten verspilling actief tegengaan, bijvoorbeeld door het beperken van waterverliezen in leidingnetten en het optimaliseren van productieprocessen. Dit stimuleert investeringen in waterbesparende technieken, hergebruik en circulaire oplossingen, waaronder proceswaterrecycling en het gebruik van alternatieve waterstromen.
  • Vergunnings- en toezichtdruk
    De aansluiting op de Kaderrichtlijn Water betekent dat bedrijven ook indirect te maken krijgen met een strengere toetsing van lozingen en onttrekkingen. Dit heeft gevolgen voor vergunningverlening en toezicht. Tijdige afstemming met omgevingsdiensten en waterbeheerders wordt essentieel om naleving te waarborgen en vertraging in procedures te voorkomen.

Deze wet- en regelgeving is zowel voor gemeenten als voor omgevingsdiensten relevant. Gemeenten blijven een rol spelen bij de uitvoering van de richtlijn, onder meer bij het bevorderen van toegang tot drinkwater voor kwetsbare groepen, communicatie richting inwoners en afstemming met waterbedrijven over ruimtelijke plannen en leveringszekerheid. Bij vergunningverlening moeten zij meer rekening houden met drinkwaterbelangen, bijvoorbeeld bij bouwprojecten of grondwateronttrekking. Omgevingsdiensten krijgen een grotere rol in toezicht en handhaving op naleving door bedrijven, met name waar het gaat om lozingen, wateronttrekking en de naleving van kwaliteitseisen. Zij moeten hun kennis naar nieuwe stoffen verder uitbreiden, zoals PFAS, microplastics en residuen van geneesmiddelen, en daarnaast nauwer samenwerken met waterschappen en drinkwaterbedrijven. Op termijn gelden naar verwachting ook expliciete regels voor het tegengaan van drinkwaterverspilling.

Gezondheid

Terug naar navigatie - Toekomstige ontwikkelingen - Gezondheid

De Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) concludeerde in 2023 dat de bescherming van omwonenden tegen langdurige industriële uitstoot tekortschiet. Hierop reageerde het Rijk met de Actieagenda Industrie en Omwonenden. Deze richt zich onder meer op strengere luchtkwaliteitsnormen en het opnemen van gezondheid als volwaardig criterium in vergunningverlening. De provincie Noord-Brabant streeft naar drie extra gezonde levensjaren per inwoner in 2030. Daarnaast kunnen gemeenten via het omgevingsplan regels stellen om milieubelasting te beperken. De Europese Unie nam in 2024 een nieuwe richtlijn voor luchtkwaliteit aan die striktere luchtemissie-eisen stelt aan industrieën en andere vervuilingsbronnen. Deze richtlijn is onderdeel van het bredere EU-actieplan voor een “Zero Pollution” beleid tegen 2050.

Voor de OMWB is een gezonde leefomgeving al langer een belangrijk thema, met ervaring op het gebied van milieukwaliteit en de aanpak van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). De uitdaging zit in het structureel borgen van gezondheid in vergunningverlening, toezicht, handhaving en advies . Samenwerking met GGD is hierbij essentieel. De focus op milieu gerelateerde gezondheid heeft de volgende impact voor de VTHA-uitvoering van de OMWB.

Vergunningverlening 

  • (Nog) meer aandacht voor maatregelen om emissies en hinder te beperken, met gebruikmaking van de adviezen uit het OvV-rapport en de Actieagenda Industrie en Omwonenden. 
  • Toetsing aan strengere emissie-eisen.

Toezicht en handhaving 

  • Verscherpt toezicht op naleving van de te controleren aspecten bij luchtemissies, zoals de verplichtingen voor beheersplannen en meetplannen. 
  • Meer druk om overtredingen met betrekking tot emissiereductie en hinder actief te sanctioneren. 
  • Meer aandacht voor proactieve inzet van instrumenten als (specifieke) zorgplicht. 

Advisering 

  • Adviseren van gemeenten bij het stellen van regels voor het omgevingsplan om milieubelasting en hinder te beperken (project SPRONG). 
  • Samen met de GGD de belasting van de omgeving op leefniveau visueel in beeld brengen. Dit geeft gemeenten sturingsinformatie voor het stellen van regels in het omgevingsplan en vastleggen van decentrale omgevingswaarden. En dat geeft provincie en gemeenten sturingsinformatie om VTHA-middelen meer te concentreren op gebieden met een grote milieu-impact en gezondheidsrisico’s. 

Stikstofproblematiek

Terug naar navigatie - Toekomstige ontwikkelingen - Stikstofproblematiek

De stikstofontwikkeling in Nederland laat sinds 1990 een duidelijke daling zien, vooral door maatregelen in de landbouw, industrie en het verkeer. Hoewel de gemiddelde stikstofdepositie inmiddels met ongeveer 51% daalde ten opzichte van 1990, komt er op grote delen van het Nederlandse natuuroppervlak nog altijd te veel stikstof neer. Vooral de intensieve veehouderij vormt een belangrijke bron van ammoniakemissie, die in de natuur als voedingsstof neerslaat en leidt tot verdringing van kwetsbare flora en afname van biodiversiteit. Binnen het thema stikstof richten we ons daarom zowel op de neerslag van ammoniak uit de landbouw, als op de uitstoot van stikstofoxiden uit verkeer en industrie. Door de huidige regels is het nagenoeg onmogelijk om invulling te geven aan nieuwe ontwikkelingen.  

De provincie Noord-Brabant probeert voor agrarische bedrijven een deel van deze impasse te doorbreken. Het proces dat de provincie Noord-Brabant momenteel doorloopt – gebaseerd op de notitie 'Bijstellen aanpak ammoniakemissie-eisen en veehouderijen' – richt zich primair op het agrarische deel van de stikstofopgave. Tegelijkertijd speelt stikstof ook nadrukkelijk in het industriële domein, waar gemeenten het bevoegd gezag zijn. Daardoor raakt de provinciale koers niet alleen de landbouw, maar heeft deze mogelijk ook gevolgen voor gemeentelijke VTH-taken richting industriële bedrijven. In beide domeinen blijft de stikstofproblematiek een complex en veranderlijk dossier, met veel landelijke en regionale beleidswijzigingen, die de afgelopen jaren grote impact hadden op onze VTHKA-activiteiten. We verwachten dat deze dynamiek voorlopig niet afneemt en blijven daarom nauw afstemmen met onze opdrachtgevers. 

De provincie paste in december 2025 de Omgevingsverordening aan om ruimte te creëren voor ontwikkelingen in de veehouderij. Door plaatsing van emissiearme stalsystemen toe te staan via een melding in plaats van een vergunning, kan worden voldaan aan de strenge emissie-eisen uit de Omgevingsverordening. Momenteel ligt de vergunningverlening vrijwel stil door een gerechtelijke uitspraak, die stelt dat elk emissiearm stalsysteem moet worden beoordeeld via een passende beoordeling – iets waarvoor de kaders nog ontbreken. De provincie ziet nu echter de opgenomen eisen in de Omgevingsverordening als die passende beoordeling, waardoor een vergunning niet langer nodig is. 

Veehouders kunnen hierdoor hun lopende natuurvergunningaanvraag (circa 1.700 in Brabant) intrekken en een melding indienen voor het beoogde emissiearme stalsysteem. Wel geldt als harde randvoorwaarde dat uitbreiding van het aantal dieren in Brabant niet langer is toegestaan. De emissie-eisen blijven onverminderd van kracht, waardoor boeren emissiearme systemen moeten installeren binnen de bestaande stalruimte. 

Voor gemeenten kan deze provinciale wijziging leiden tot een toename van het aantal aanvragen voor gewijzigde milieuvergunningen: wie wijzigt ten opzichte van natuur, wijzigt vaak automatisch ook voor milieu.  

Wat dit alles voor de werklast van de OMWB betekent, kunnen wij op dit moment nog niet voorspellen.  

STOER (versnellen van de bouw)

Terug naar navigatie - Toekomstige ontwikkelingen - STOER (versnellen van de bouw)

STOER staat voor Schrappen Tegenstrijdige en Overbodige Eisen en Regelgeving (2025). Het is een initiatief van minister Mona Keijzer, met als doel om de woningbouw te versnellen, kosten te verlagen, en procedures eenvoudiger te maken. In deze notitie staan meer dan 100 aanbevelingen voor het versnellen en vereenvoudigen van het “bouwproces”. De aanbevelingen hebben betrekking op de volgende onderdelen:

  • Verkorten van de planvormingsfase door middel van standaardisatie en parallelle uitvoering van trajecten
  • Verminderen van de onderzoeklast
  • Bezwaar- en beroepsprocedure eenvoudiger en sneller inrichtingen
  • Landelijke bouweisen i.p.v. lokale varianten
  • Aanpassen/versimpelen van eisen op gebied van milieuthema’s: milieu, natuur, bodemonderzoek, grondverzet, milieuzonering, etc.

De concrete uitwerking van STOER moet nog plaatsvinden, maar wordt zeker binnen een periode van 5 jaar worden geïmplementeerd. De impact voor de OMWB heeft met name betrekking op ruimtelijke initiatieven waarbij  provinciale en/of gemeentelijke bedrijven een rol spelen.  

Hoe gaan we meer sturen op outcome

Terug naar navigatie - Toekomstige ontwikkelingen - Hoe gaan we meer sturen op outcome

Outcome op het gebied van milieu betekent dat we niet alleen kijken naar wát we doen, maar vooral naar wát ons werk oplevert voor de kwaliteit van de leefomgeving. Het gaat om inzicht in de daadwerkelijke effecten van onze inzet: dragen ons toezicht, advisering en handhaving bij aan schonere lucht, gezonder water, minder overlast of veiliger gebruik van bodem en ruimte?

Door deze milieuresultaten beter zichtbaar te maken, kunnen we de waarde van ons werk voor de samenleving versterken en onze bijdrage aan brede maatschappelijke doelen beter onderbouwen. Voor de omgevingsdienst betekent deze manier van werken een verdere verschuiving van uitvoeringsgericht naar resultaatgericht werken. We ontwikkelen onze informatiepositie verder door data uit toezicht, vergunningverlening en handhaving structureel te verzamelen, analyseren en vertalen naar bruikbare inzichten. Deze gegevens helpen ons om patronen te herkennen, trends te duiden en beter te sturen op wat écht effect heeft in de leefomgeving. Vanaf 2027 sturen we steeds meer op inhoudelijke KPI’s waarop we daadwerkelijk invloed kunnen uitoefenen, zoals naleefgedrag, het aantal overtredingen en de effectiviteit van toezicht en interventies. We gaan niet sturen op brede maatschappelijke indicatoren zoals biodiversiteit of levensverwachting, maar op meetbare resultaten binnen onze eigen uitvoeringssfeer.

In aanloop daarnaartoe actualiseren we het Gemeenschappelijk Uitvoeringskader (GUK) en voeren we opnieuw een omgevings- en beleidsanalyse uit, samen met de beleidsafdelingen van onze opdrachtgevers. Zo bepalen we gezamenlijk waar de grootste maatschappelijke opgaven liggen en hoe we daar met onze inzet het meest effectief aan kunnen bijdragen.